Huizenstress XVIII: Ik wil hier weg

Morgen is het zo ver, de bezichtiging voor het huis waarvoor ik nummer 1 sta. Vanwege de pandemie heeft het een maand langer geduurd.
Ik geloof niet dat het zenuwen zijn die ik voel. Eerder angst. Verdriet. En dan weer angst.
Eigenlijk zou ik het liefste naar de supermarkt willen hollen voor suikerrijke producten en alcohol, maar dat enge virus en de zomerse onverschilligheid die mensen aan de dag leggen sinds de versoepeling van de maatregelen houden me tegen. En ik ben al een beetje meer aangekomen dan zou moeten. Ik wil geen emotionele eter zijn. Dat was ik vroeger al.
Als kind, wanneer mijn ouders beneden ruziede, drukte ik zo een hele puntzak drop weg, starend naar mijn kleine tv. Geen kleine puntzak ook, maar het grootste formaat, zo vol mogelijk met dropkogels, gummyberen, winegums, salmaliak en tummetjes, gekocht van mijn zakgeld.
Ik was een dikke tiener.
Mijn moeder zette me op een dieet van Amerikaanse voedingsshakes, die ik nog steeds eet. Hoewel ik mijn streefgewicht nooit heb gehaald.

Vergeef me, maar ik typ wat weg in de ruimte om deze avond voorbij te laten gaan.

Eend
Eergisteravond, toen ik mijn gebruikelijke blokje om liep, stuitte ik op een aangereden eendje. Verschrikt zag ik dat ze haar kopje nog bewoog. Ze was nog levend! Het liep al tegen elven, omdat ik dan zeker weet dat ik geen (besmettelijke) mensen tegenkom op mijn weg, want die lopen alleen overdag en tijdens de schemering.
Ik boog me over haar heen en inspecteerde haar. Geen bloed, alleen een grote klodder eendenpoep van de schrik. Ze kwaakte schor. Haar rechter vleugel lag kwetsbaar over de stoeprand gespreid.
Verderop naderde een auto. Nog voordat we beide in de koplampen dreigde te kijken wuifde ik dat hij met afstand om ons heen moest rijden, hetgeen hij verbaasd deed. Het eendje zo laten liggen terwijl ik de dierenambulance belde zou te gevaarlijk zijn.
Verderop lag al sinds enige dagen een verloren kindercapuchon, die ik gebruikte om de eend mee op te pakken. Ik droeg haar niet ver, want dat zou eventuele breuken alleen maar verergeren. Toen ik haar optilde bleek er nog heel wat leven in het beestje te zitten, ze begon te spartelen en sloeg haar vleugels uit. Gelukkig weet ik hoe ik met eendjes moet omgaan, want ik heb eens een jong opgevoed tijdens mijn tweede depressie. Ik greep haar over de vleugels heen en schermde haar kopje af toen ik haar op de stoep legde. Op mijn hurken boven haar, zodat het lantaarnlicht haar niet bescheen, belde ik de dierenambulance. Die staat standaard in mijn telefoon. Ik appte op verzoek het adres door en toen begon het grote wachten. Een aanrijdende buurtbewoner vroeg nog of ik hulp nodig had, aangezien ik zo op de stoep in elkaar gedoken zat. Toen ik zei dat alles geregeld was en dat het om een eend ging liep hij met een verwarde blik terug.
Het eendje was moe en verzwakt. Haar kopje viel af en toe weg. In het meest waarschijnlijke scenario is ze aangereden tijdens een woeste paringsvlucht. Je ziet ze veel gaan deze dagen: Eén of twee woerden samen achter een eendje aan. Ze scheren in felle bochten door de lucht en landen van de weeromstuit in tuintjes en plantsoenen. Toen ik een paar weken geleden eens langs een hooiberg liep vloog daar verschrikt een eendje uit, ze had zich daar verstopt om op adem te komen. Anderzijds zag ik ook eens een eendje woest kwakend over de sloot vliegen, roepend om partners.
De dierenambulance had een beetje wat weg van een mensen ambulance; erg professioneel. Er stapte een magere man van een jaar of zeventig uit. In een minuscule vervoersbox nam hij haar mee naar de nabijgelegen vogelopvang. Bij thuiskomst heb ik mijn handen grondig gewassen en mijn telefoon gedesinfecteerd. Daarna 10 euro overgemaakt naar de betreffende vogelopvang en 10 naar de dierenambulance. Mensen laten me koud, maar dieren niet.

Het is nu acht uur. Ik loop even naar beneden en dan schrijf ik nog een verhaaltje.
Ik heb een beetje last van pijn in mijn hartstreek deze dagen. Misschien is het door de vele alcohol en snacks van de afgelopen dagen.
‘Je had dat een jaar geleden toch ook toen je stress had?’ vroeg mijn ex aan de telefoon.
‘Ja, toen waren het hartkloppingen, nu meer krampjes. Nou ja ik weet het ook niet. We wachten inderdaad eerst de komende stressvolle gebeurtenissen wel weer af.’ We hingen op.

Onverwachts UWV
Twee weken geleden werd ik opgeschrikt door een mailtje in mijn postvak: Of ik mijn werkmap wilde openen. Ik open nooit mijn werkmap, want ik spreek mijn UWV vrouw altijd per mail of telefoon om afspraken te maken over mijn voortgang. In de werkmap stond een bericht met de volgende strekking:

“Wij willen u spreken om u te vragen hoe het met u gaat. En om te kijken of u al kunt re-integreren. Het telfonisch gesprek ik dan en dan. Mvg, (een mevrouw die ik niet kende)”

Gesprokken mailde ik terug:

“Het gaat niet zo goed met mij en ik heb op dit moment te veel mentale stress in mijn leven om te kunnen focussen op iets anders, zoals werk. Bovendien heb ik een afspraak over de voortgang met mijn vaste contactpersoon in juni. Ik snap niet zo goed waarom dit nu moet. Mvg.”

De mail en mijn vraag over waarom dat opeens moest deponeerde ik ook bij mijn vaste contactpersoon en daarna lag ik een uur lang huilend in bed. Ik was bang. Bang dat ik straks in de handen van een totaal vreemd persoon terecht kwam die mij dan in het enge systeem zou stoppen met re-integratie artsen die het niet zouden begrijpen en me tot werk zouden dwingen.
Weer wilde ik er niet zijn. Maar dat had ik ook in de mail gezet.

Mijn vaste contactpersoon mailde vlug terug en we spraken af de dag er na over de situatie te bellen. Na een slechte nacht slaap, vertelde ze mij dat ze een te grote caseload had en daarom nu de cliënten met een collega deelde. Maar gelukkig deelde ze mij vanaf nu weer in, in haar eigen caseload. Ik was gered.
‘Hoe gaat het verder me je?’ vroeg ze.
‘Nou nu nog niet zo goed, ik woon bij mijn moeder in en de gezinsdrukte eist eigenlijk al mijn energie op. Maar misschien veranderd dat binnenkort als ik een huisje toegewezen krijg via de noodzoekersregeling, verzekerde ik haar. En daarna kan ik bijkomen en na de Coronacrisis misschien aan de slag als ervaringsdeskundigen bij de depressiepraatgroep waar ik nu al een tijdje zit. Als dat op vrijwillige basis lukt, zijn er zeker uitstroommogelijkheden naar werk in die sector, dat heb ik zelf gezien. En het is een geschikt beroep om mijn eigen grenzen bij in de gaten te kunnen houden, want helemaal fulltime werken gebeurd denk ik nooit meer.’
Ik hoorde haar peinzen aan de andere kant van de lijn: ‘Weet je het maakt niet uit wat je doet hé,’ zei ze vriendelijk, ‘als het maar iets is’.
In dat geval wil ik gewoon schilderen bij de stichting voor mensen met mentale problemen dacht ik. Maar ik zei het niet.
‘Laten we over een half jaar gewoon weer afspreken te kijken hoe ver je bent en of het UWV dan iets voor je kan betekenen,’ zei ze. ‘Vanuit het GGZ zijn er ook re-integratietrajecten wist je dat? Dat is niet met cursussen maar meteen aanpakken.’
Ik pakte pen en papier. ‘Dank u voor de tip, ik zal het opschrijven,’ zei ik slagvaardig.
‘Over een half jaar kunnen we misschien het beste hier op kantoor afspreken’, zei ze. ‘Maar als dat je nu stress geeft doen we dat niet. Bovendien beginnen de meeste re-integratietrajecten toch pas als de behandelingen zijn afgerond.’
Ik had haar verteld over de coaching van nu en de psycholoog die ik nog wilde zien volgens mijn behandelplan. Dat ik er wel heen was geweest maar dat het nog te veel was geweest.
De reistijd had me opgebroken en angstig had ik het half uur de groezelige hoek van het treinraam zitten natekenen. Naderhand was ik geschrokken met een suggestie voor een nieuwe diagnose thuis gekomen: Manie. Dit alles vertelde ik haar natuurlijk niet en voor ik het wist was het gesprek weer ten einde en kreeg ik een nieuw half jaar respijt. Wat een opluchting.

Goed, nu ga ik slapen en morgenochtend ga ik het huis bezichtiging waar ik misschien kans op maak.