Over hoe een oude vrouw opstapte

Het was laatst, dat ik mijn gebruikelijke blokje om liep.
Eerst langs de huizen die me altijd verbazen. Omdat er steeds een nieuwe lijkt.
Daarna langs de domme vrijstaande nieuwbouwhuizen,
van ijdele mensen die van kitscherige architectuur houden. En gierig zijn.

Daarna langs de molen, wiens wieken ruizen.
De molenaar en zijn vrouw werken nu dag en nacht om aan de grote vraag naar meel te voldoen.
Er waren zelfs Marokkanen gekomen, die je daar normaal nooit boodschappen zag doen.
Ik kocht er zelf 20 kilo.

Daarna langs de weg van de kippen slachtfabriek,
waar mijn beider broertjes hebben gewerkt.
Er rijden vrachtwagens met containers vol bange kippen.
De dekzeilen van de vrachtwagen klapperen tegen hun hokken aan.
Waarvandaan?
Ik ken van die fabriek de bezitter.
Hij kocht een huis voor ieder van zijn kinderen.
Hij rijdt altijd rondjes op zijn fiets,
want thuis vind hij het maar niets.

En toen kwam ik langs een hoge bomenlaan.
Waar ik een specht tekeer hoorde gaan.
Hij pikte een hol in de boom, naar het geluid dat ik vernoom.
Mijn muziek viel uit, op beide apparaten.
Dus ik liep verder door stille ochtendstraten.

Toen langs het tehuis van lieve mevrouw Perenman,
waar ik jaren geleden met mijn moeder kwam,
toen zij zei dat ze niet meer wou.
Er kwam witte rook uit een schoorsteenpijpje van het gebouw.

Thuis maakte ik koffie toen mijn moeder zei:
‘Mevrouw Perenman ligt op sterven,
ze had al weken last van nierfalen.’
Maar de Coronaregels deden het pas echt bederven,
want niemand mocht langsgaan.
Waarop haar dochter zei: “Nu kan ik eindelijk moeder weer in mijn armen houden.”

De volgende ochtend irriteerde ik me aan die van mij,
toen die zei: ‘Mevrouw Perenman is overleden. Ze heeft gezegd:
“Als ik mijn kinderen nog zo lang niet mag zien hoeft het van mij niet meer echt”.’
En toen heeft ze genoeg slaapmiddel voor het einde gekregen en het leven afgelegd.