Huizenstress XVI: De aftocht blazen

Na het huisbezoek van de gemeente was ik dagenlang bekaf. De eerste nacht was ik zo opgewerkt dat alleen mijn antipsychoticum mij niet in slaap kreeg. Alleen nog meer angstremmers konden mijn overspannen brein dempen voor de nacht. Voor mijn vriendin, die ook helemaal van de kook was na het huisbezoek, gold helaas het zelfde.

In de tweede week na het onderzoek belde ik de mijnheer Holt terug om te horen hoe het er voor stond. ‘Dit kan nog maanden gaan duren,’ vertelde hij me, ‘op dit moment ligt het onderzoek over of de woning inderdaad voor verhuur gebruikt mag worden bij de afdeling vergunningen en daarna wordt het vervolgt op de afdeling bestemmingsplannen.’
‘En is er een grote kans dat de woning voor verhuur gebruikt mag worden?’ vroeg ik.
‘Het wordt fifty-fifty,’ schatte hij in, ‘de oploop naar de woning toe is net groot genoeg en er zijn binnen genoeg utiliteiten.’
Ik bedankte hem voor de informatie.
‘Trouwens ik vroeg mij af of u mijn hospita mevrouw Morte ook als collega kent?’ vroeg ik snel voordat hij ophing.
‘Ik zou het niet weten,’ reageerde hij geërgerd. En dat was dan dat.

Nog een week later besloot ik het appartement definitief op te zeggen. Nog meer maanden huur betalen in afwachting van het onderzoek van de gemeente was zinloos. Ik zou nooit genoegdoening krijgen voor mijn leed. Achteraf betwijfel ik zelfs of mijn hospita dat sanitair wel aangelegd heeft. Waarschijnlijk heeft ze het gewoon bedacht om mijn overspannen geest met geluidsoverlast op de kast te jagen.
De hoer heeft gewonnen. Ze heeft gespeeld op de rand van de wet. Met een pokerface op. Ze heeft iedereen om de tuin weten te leiden met diplomatie en de schijn van goede wil. Ze heeft gespeeld zoals een elitair speelt, die het altijd wint van een armoedzaaier. Cognitief sterker, intelligenter; de regels zijn voor hen gemaakt. Niet voor mij, simpele sloeber, op het randje van de maatschappij. In het licht van het recht zal ik met mijn zwakke zenuwen altijd het onderspit delven. Een loser voor altijd. Misschien ooit gestoord genoeg om in mijn waanzin iemand in mijn val mee te sleuren. Mocht ik ooit serieuze zelfmoord plannen krijgen, dan sleur ik haar mee in mijn val. Dan zal ik met mij ook een kapitalist als haar omleggen, want dan heb ik werkelijk niets te verliezen. Of zo fantaseert mijn wraakzuchtige brein. Dan zal ik een statement maken naar deze verhufterende maatschappij. Dat de rijken niet altijd winnen. Maar ook wel eens verliezen.

Ja vaak denk ik nog: Als ik haar voor de bumper krijg, zal ik gas geven.

Maar tot die tijd; tot die tijd probeer ik mijn verlies te nemen, hoe sluw zij ook geweest is. Een sluwheid die ik niet zal kunnen bewijzen. Een sluwheid die weinigen zullen zien, aangezien zij zich hult als een wolf in schaapskleren. Een sluwheid, die velen zien als een foutief geïnterpreteerde handicap mijnerzijds. Want in het grotere schema der dingen, ben ik, en zal ik, altijd de verliezer zijn, dat is onafwendbaar. The Joker. Gepest en vernederd, door een maatschappij die het bestaan van zijn pikorde ontkent.

Op de dag dat ik mijn laatste biezen bijeen pakte, miezerde het. Het loodzware groene bankje, dat altijd zo zwierig voor mijn huis had gestaan laadde ik eigenhandig in de kleine auto. De betonnen Harry, die ik eens gemaakt had uit een langs de weg gevonden stuk beton, liet ik staan. De plankjes en randjes, die ik over de jaren heen zo efficiënt had aangelegd waren uit de muren gerukt. De gaten grofweg dicht gesmeerd met plamuur. Nee, mijn handige systeempjes zou ik haar niet gunnen.

Toen ze eenmaal binnen liep wilde ze iets zeggen. Maar ik overstemde haar: ‘Kijk maar wat je er van vind,’ zei ik kortaf.
‘Moeten we nog wat tekenen?’.
‘Nee, de schriftelijke verklaring in de mail is voldoende.’
‘Sleutels liggen hier en in het slot.’
‘Oke,’ zei ze.
En toen liep ik weg. Startte de auto en reed weg. Klep open met mijn groene bankje in de achterbak.
Nam geen afscheid van haar; daar was ze te futiel voor. Maar slechts afscheid van de moordzuchtige wraakmachine die ik de laatste maanden was geweest.

Ik liet de moordenaar daar.

Een frisse wind waaide door mijn haren, vanwege de openstaande achterklep.
En bij mijn moeder hebben we het groene bankje liefelijk voor het huis gezet.

Nog geen half uur nadat ik thuis was belde een tuttebel van de gemeente. Of de illegale situatie nu was opgeheven. Dit ontkende ik in alle toonaarden totdat ik de borg terug op mijn rekening had. Ze probeerde het probleem van verschillende kanten te benaderen, teneinde mij te vermurwen, maar ik gaf geen cent mee. Beweerde dat ik zou terugbellen als de situatie daadwerkelijk opgeheven zou zijn. Belde nooit meer terug. Ook niet toen de borg op mijn rekening stond. Blijkbaar was mijn hospita zo bang voor die boete van tienduizend geweest dat ze geen half uur langer had kunnen wachten om de gemeente te informeren.

Moge zij en haar nieuwe gezin verkankeren in de rook die ze uitblazen.

Amen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.